De Nederlandse industrie laat in mei 2026 weer duidelijke groeisignalen zien. De Nevi Inkoopmanagersindex voor de industrie steeg in april van 52,0 naar 54,4, het hoogste niveau sinds de zomer van 2022. Een stand boven de 50 wijst op groei van de industriële activiteit.
Opvallend is vooral waar die groei vandaan komt. Het is niet alleen een klassiek herstelverhaal van aantrekkende markten of dalende kosten. Onder de oppervlakte spelen drie krachten tegelijk: bedrijven bouwen extra voorraden op uit angst voor nieuwe verstoringen in de keten, de AI-golf jaagt de vraag naar chiptechnologie verder aan, en Europa kiest zichtbaarder voor bescherming van de eigen industrie.
Hamsteren keert terug op de werkvloer
Volgens de nieuwste PMI-data is de vraag naar Nederlandse industriële producten in april gestegen naar het hoogste niveau in bijna twee jaar. Tegelijkertijd kochten bedrijven meer onderdelen en grondstoffen in, voerden ze de productie op en bouwden ze hun voorraden verder uit. Ook stegen inkoop- en verkoopprijzen sneller dan een maand eerder.
Die beweging wijst op iets dat veel maakbedrijven herkennen uit eerdere onrustperiodes: zodra leveringszekerheid onder druk staat, verschuift de focus van “lean” naar “zekerheid eerst”. Bedrijven nemen dan liever extra voorraad op de balans dan het risico te lopen dat productie stilvalt. Dat lijkt nu opnieuw te gebeuren, mede door de spanningen in het Midden-Oosten en de ontregeling van internationale logistieke stromen.
Meer productie, maar ook meer druk op cashflow
De keerzijde van die opleving is dat groei in productie niet automatisch betekent dat de financiële druk afneemt. Hogere voorraden, duurdere materialen en oplopende transportkosten vergroten juist de behoefte aan werkkapitaal. In het PMI-commentaar waarschuwt ABN AMRO-sectoreconoom Albert Jan Swart dan ook dat CFO’s scherp moeten blijven op cashflow, liquiditeitsplanning en het risico op overtollige voorraden zodra de vraag weer terugvalt. Hij koppelt dat expliciet aan het zogenoemde zweepslageffect: eerst overvolle magazijnen, daarna een dip in productie.
Voor de industrie is dat een belangrijk punt. De huidige groeiversnelling voelt positief, maar ze is deels defensief van aard. Wie nu extra inkoopt om risico’s af te dekken, kan daar later last van krijgen als orders vertragen of geopolitieke rust terugkeert.
Ontregelde ketens jagen prijzen verder op
De kostenkant van het verhaal is minstens zo relevant. BusinessWise meldde dat naast energie en brandstof ook transport en materialen zoals metalen duurder worden. Dezelfde lijn is zichtbaar in de PMI-data, waarin wordt gesproken over de sterkste stijging van levertijden en inkoopprijzen in bijna vier jaar.
Dat maakt het herstel dubbelzinnig. Aan de ene kant profiteren sommige producenten van een sterkere vraag en grotere bestellingen. Aan de andere kant worden marges opnieuw getest door hogere inputkosten en langere aanvoertijden. Vooral bedrijven die sterk afhankelijk zijn van internationale toelevering of grondstoffen uit kwetsbare regio’s zullen die druk direct voelen.
Protectionisme werkt ineens in het voordeel van een deel van de industrie
Een tweede factor onder de huidige opleving is het veranderende Europese industriebeleid. De EU heeft het CBAM-mechanisme per 1 januari 2026 in werking laten treden, waarmee CO2-intensieve importstromen zoals ijzer en staal onder een nieuwe heffingssystematiek vallen. Uit de eerste week aan CBAM-aangiftes bleek dat ijzer en staal veruit het grootste deel van de gemelde volumes vertegenwoordigden. Daarnaast publiceerde de Europese Commissie in april 2026 de eerste prijs voor CBAM-certificaten.
Tegelijk heeft de Europese Commissie in april een politiek akkoord bekendgemaakt over een aangescherpt staalhandelsregime, met tariefvrije quota en een heffing van 50 procent buiten die quota voor 30 staalcategorieën.
Voor Europese staal- en basismetaalproducenten verandert daarmee het speelveld. Waar goedkope import jarenlang druk zette op marges en bezettingsgraden, ontstaat nu meer ruimte voor regionale spelers. Dat betekent niet dat alle problemen verdwenen zijn, maar wel dat Europese bescherming voor sommige industrietakken niet langer theorie is, maar direct effect begint te krijgen op concurrentieverhoudingen.
Nederland profiteert extra van de AI-golf
Een derde verklaring voor de relatief sterke positie van Nederland zit in de halfgeleiderketen. ASML verhoogde op 15 april zijn verwachting voor de omzet in 2026 naar een bandbreedte van 36 tot 40 miljard euro, tegenover een eerdere verwachting van 34 tot 39 miljard euro. In het kwartaalbericht schrijft het bedrijf dat de vraag naar chipmachines hoog blijft, gedreven door investeringen in AI-infrastructuur en datacenters.
Voor Nederland is dat groter dan één bedrijfsnieuwsbericht. Rond ASML hangt een breed ecosysteem van honderden toeleveranciers, specialisten, machinebouwers en precisiebedrijven. Als klanten van ASML hun uitbreidingsplannen naar voren halen, werkt dat door in de hele keten. BusinessWise wees daar terecht op: de AI-boom levert Nederland op industrieel vlak meer directe spin-off op dan veel andere Europese landen.
Waarom Nederland het nu beter doet dan Duitsland
Dat verschil valt extra op in vergelijking met Duitsland. BusinessWise verwijst naar de voorlopige Duitse PMI-cijfers en naar de langdurige zwakte van de Duitse auto-industrie, die al jaren onder druk staat door Chinese concurrentie en extra geraakt werd door Amerikaanse invoerheffingen. Tegelijk blijft Duitsland voor Nederland de belangrijkste exportmarkt, waardoor ontwikkelingen daar direct doorwerken in Nederlandse orderportefeuilles.
Nederland heeft op dit moment een ander profiel. De economie profiteert minder van massaproductie in automotive en relatief meer van hightech, toelevering, gespecialiseerde maakindustrie en chipgerelateerde activiteiten. Daardoor voelt de Nederlandse industrie momenteel wendbaarder, al maakt dat haar niet automatisch immuun voor een terugslag.
De grote vraag: structurele opleving of tijdelijke piek?
De huidige productiegroei is zonder twijfel goed nieuws voor de sector. Maar het is nog te vroeg om daaruit te concluderen dat de Nederlandse industrie definitief in rustiger vaarwater zit. Het sentiment onder inkopers bleef volgens het PMI-commentaar namelijk terughoudend. De verwachtingen voor de productie in de komende twaalf maanden verbeterden slechts beperkt, ondanks de stijging van vraag en output.
Dat is logisch. Een deel van de huidige vraag lijkt voort te komen uit voorzorgsaankopen en onzekerheid, niet alleen uit duurzaam eindmarktherstel. Daar komt bij dat energieprijzen, internationale spanningen en handelsmaatregelen voorlopig onvoorspelbaar blijven.
Wat de industrie hier nu van moet meenemen
Voor maakbedrijven ligt de les niet alleen in het vieren van de opleving, maar vooral in het scherp lezen van de oorzaak. Wie vandaag groeit dankzij extra voorraadvorming en versnelde inkoop, moet tegelijk zijn balans, cashpositie en vraagprognoses onder controle houden. Wie profiteert van AI-investeringen of Europese industriepolitiek, moet die tijdelijke rugwind gebruiken om leverbetrouwbaarheid, innovatiekracht en ketenpositie verder te versterken.
De opvallendste conclusie is misschien wel deze: de Nederlandse industrie groeit nu niet ondanks de onrust, maar deels juist dóór die onrust. Hamstergedrag, protectionisme en technologische investeringsgolven geven fabrieken tijdelijk meer werk. De vraag is alleen welke bedrijven dat moment weten om te zetten in structurele voorsprong.
