NieuwsPodcast & Video

Veel bedrijven denken dat robotica te duur en te complex is. Bart Van Quickelberghe ziet elke dag waarom dat niet klopt

RE
Redactie
29 jun 2026 · 11 min leestijd

Robotica en cobots worden steeds vaker genoemd als antwoord op personeelstekort, groeipijn en kwaliteitsdruk in de maakindustrie. Toch blijft er bij veel bedrijven twijfel hangen. Want werkt het echt? Is het betaalbaar? En past het wel in een bestaande productieomgeving? Volgens Bart Van Quickelberghe worden die vragen vaak nog vanuit het verkeerde vertrekpunt gesteld. Want wie robotica alleen ziet als “een robot erbij”, mist volgens hem precies waar de echte meerwaarde zit: niet in de robot op zichzelf, maar in de totale systeemoplossing eromheen.

In deze aflevering spreekt Niko Saris met Bart Van Quickelberghe over de praktijk van robotica in handling. De rode draad in het gesprek is duidelijk: robotica werkt pas echt als vision, grijper, software en finishingproces samensmelten tot één logisch geheel. En juist daar gaat het volgens hem in de markt nog te vaak mis.

Robotica in handling draait niet om de robot, maar om het hele systeem

Volgens Bart Van Quickelberghe staat robotica in handling vandaag zo centraal omdat handling in essentie draait om oppakken, draaien, voeden en positioneren van onderdelen. Dat soort repeterende handelingen leent zich technisch perfect voor automatisering. Maar daarmee ben je er nog niet. Want de echte waarde ontstaat pas als de robot slim wordt ingebed in het proces waar hij deel van uitmaakt.

Daarmee verschilt deze golf van eerdere automatiseringsgolven. Het gaat volgens hem niet meer alleen om een robotarm of een mechanische beweging, maar om intelligentie in het systeem: vision, grijpers en robotica moeten samen werken als één geïntegreerde oplossing. Dat maakt het niet alleen slimmer, maar ook veel toegankelijker om nieuwe producten aan te leren en flexibel te blijven produceren.

Het echte probleem dat robotica oplost is niet techniek, maar tekort aan mensen

Als Niko Saris vraagt waarom juist handlingtaken zich zo goed lenen voor robotisering, komt Bart Van Quickelberghe snel tot de kern: het lost in de eerste plaats een nijpend tekort aan handjes op. Veel handlingwerk is repetitief, saai of fysiek onaantrekkelijk. Denk aan kleine producten die 24/7 gevoed moeten worden, of juist grote, scherpe en zware plaatdelen die specialistisch gehanteerd moeten worden.

Dat zijn precies de taken waarvoor bedrijven steeds moeilijker mensen vinden. Robotica vervangt volgens hem de mens niet volledig, maar maakt een organisatie wel minder afhankelijk van schaarse capaciteit. En dat is voor veel bedrijven vandaag al reden genoeg om serieus te kijken naar een geautomatiseerde handlingoplossing.

Bedrijven willen niet zomaar een robot, maar onafhankelijkheid

Volgens Bart Van Quickelberghe zoeken bedrijven in de praktijk niet alleen een stuk techniek, maar vooral meer onafhankelijkheid. Ze willen een installatie die dag en nacht kan draaien, die zich aanpast aan wisselende omstandigheden, die met nieuwe producten overweg kan en die niet volledig vastloopt als een operator even niet beschikbaar is.

In dat opzicht koppelt hij robotica ook aan wat hij industrie 5.0 noemt: niet alleen geconnecteerde machines en data, maar ook duurzaamheid, energie-efficiëntie en oplossingen die bruikbaar blijven voor mensen op de werkvloer. Bedrijven willen volgens hem efficiënter worden, betere kwaliteit halen en tegelijk een systeem bouwen dat meebeweegt met hun groei en hun markt.

De meeste bedrijven komen pas in beweging als ze ergens vastlopen

In de praktijk ziet Bart Van Quickelberghe dat bedrijven meestal niet uit nieuwsgierigheid beginnen met robotica, maar omdat er ergens een bottleneck ontstaat. Ze willen groeien, maar hebben te weinig mensen. Ze missen ruimte. Of ze halen het gewenste kwaliteitsniveau niet meer. Op dat moment zoeken ze geen losse machine, maar eerder een sparringpartner of consultant die hun situatie begrijpt en automatiseerbaar kan maken.

Daar zit volgens hem ook meteen het verschil tussen gewoon een robot verkopen en een échte handlingoplossing bouwen. Je moet eerst de leefwereld van die klant begrijpen, voor je kunt aangeven wat robotica daar concreet gaat verbeteren.

Waarom eerdere robotprojecten vaak mislukten

Niko Saris legt in het gesprek ook een terechte vraag op tafel: wat als een bedrijf dit al eens geprobeerd heeft en het toen mislukte? Volgens Bart Van Quickelberghe zit de verklaring vaak in het feit dat robotica te los werd benaderd. Een robotunit “aanplakken” op een bestaande finishingstraat werkt volgens hem alleen zelden goed. De snelheid van handling moet kloppen met het tempo en het karakter van het finishingproces. Als dat niet in balans is, ontstaat er frictie.

Daarom stelt hij dat robotica in handling alleen echt succesvol is als de integratie volledig wordt ontworpen rondom het volledige proces. Finishing en handling zijn volgens hem geen twee aparte werelden, maar één verhaal. En juist daar zegt hij dat Q-Fin zich onderscheidt.

Wat bedrijven vaak compleet verkeerd inschatten

Een van de interessantste stukken uit het gesprek gaat over verwachtingen. Volgens Bart Van Quickelberghe zijn er twee denkfouten die veel terugkomen. De eerste is dat bedrijven denken dat ze morgen een robot neerzetten en dat die meteen 100 procent van hun productie foutloos overneemt. Dat is volgens hem een verkeerde verwachting. De tweede denkfout is het omgekeerde: dat bedrijven vanwege die onzekerheid dan maar helemaal niet beginnen. Ook dat is volgens hem fout.

Want, zo stelt hij heel direct: robotica brengt altijd winst bij bedrijven die tegen een duidelijke bottleneck aanlopen. Capaciteit, efficiëntie, kwaliteit en personeelsbeschikbaarheid verbeteren in zulke situaties vrijwel altijd. Niet omdat het een wondermiddel is, maar omdat het gericht een knelpunt wegneemt.

Te duur, te moeilijk en te complex? Dat beeld klopt volgens hem steeds minder

Een ander hardnekkig bezwaar dat Bart Van Quickelberghe noemt, is het idee dat robotica onbetaalbaar of te ingewikkeld zou zijn. Hij zegt juist dat die zorgen veel kleiner zijn geworden. Bedrijven kunnen tegenwoordig vooraf veel beter inzicht krijgen in terugverdientijd, gebruiksgemak en implementatierisico. En volgens hem is dat ook precies waar hun aanpak op inzet: laagdrempelig automatiseren, snel zichtbare winst, en gebruiksgemak dat operators niet afschrikt maar ondersteunt.

Wat vandaag anders is dan tien jaar geleden

Niko Saris brengt vervolgens een gedachte in die veel ondernemers zullen herkennen: dit soort oplossingen bestond tien jaar geleden toch ook al? Volgens Bart Van Quickelberghe is het verschil simpel: de markt is er nu wél klaar voor. De techniek heeft tijd gehad om te rijpen, net zoals dat met andere digitale technologieën is gegaan. Waar iets vroeger nog complex of experimenteel aanvoelde, wordt het nu breder geaccepteerd omdat bedrijven de meerwaarde concreet zien.

Daar komt nog iets bij: leveranciers zoals Q-Fin hebben volgens hem de afgelopen jaren bewust geïnvesteerd om het concept marktklaar te maken. Niet als verhaal, maar als iets wat je letterlijk kunt laten zien. En dat visuele bewijs haalt volgens hem veel twijfel weg.

De grootste technische uitdaging zit vaak aan de voorkant

Als Niko Saris doorvraagt naar de technische kant, maakt Bart Van Quickelberghe duidelijk dat de lastigste vraag vaak niet in de robot zelf zit, maar in de analyse vooraf. Hoe groot is de productvariatie? Wat produceert een klant werkelijk op jaarbasis? Welke oplossing past bij die mix? Dat vraagt volgens hem veel voorbereiding in het pre-salesproces.

Daarom is er bij Q-Fin zwaar geïnvesteerd in tooling om die vooranalyse aan de voorkant goed te doen. Niet met een generieke robot die “voor alles past”, maar met een onderbouwde keuze die aansluit op de productie van die specifieke klant.

Waarom standaardisatie hier belangrijker is dan specialisme

Een ander opvallend punt in het gesprek is de nadruk op standaardisatie. Volgens Bart Van Quickelberghe denken klanten soms dat ze vooral iets super-specifieks nodig hebben: speciale grippers, gripperwissels, extra opties, allerlei uitzonderingen. Maar volgens hem introduceert elke special ook extra complexiteit, risico, langere levertijden en minder gebruiksgemak.

Daarom is het uitgangspunt binnen Q-Fin juist om te werken met standaarden die nagenoeg alle toepassingen afdekken. Niet omdat maatwerk nooit nodig is, maar omdat standaardisatie juist betrouwbaarheid en schaalbaarheid oplevert. En dat is volgens hem vandaag een van de grootste sterktes van hun handlingaanpak.

Flexibiliteit komt niet uit specials, maar uit modulaire opbouw

Dat roept natuurlijk de vraag op hoe flexibel zo’n gestandaardiseerd systeem dan nog is. Daarop antwoordt Bart Van Quickelberghe dat flexibiliteit juist ontstaat door modulariteit. Elke module kan zelfstandig werken, maar is tegelijk voorbereid om later gekoppeld te worden aan een volgende module. Een halve lijn kan later verdubbeld worden. Een lijn zonder robotica kan worden uitgebreid naar een lijn mét robotica. Een enkelzijdige lijn kan doorgroeien naar dubbelzijdig finishen.

Dat betekent dat een klant geen alles-of-nietsbeslissing hoeft te nemen. De lijn kan meegroeien met de organisatie, zolang de basis maar slim is opgezet.

Het moeilijkste in de implementatie is vaak niet de machine, maar de mens

Als het gesprek richting implementatie gaat, wordt duidelijk dat de factor mens volgens Bart Van Quickelberghe minstens zo belangrijk is als de factor machine. Operators moeten wennen aan een andere manier van werken. Iemand die twintig jaar lang zelf alles handmatig parametreerde, krijgt ineens te maken met vastgelegde programma’s en een meer geautomatiseerde flow. Dat vraagt gewenning.

Dat ziet hij niet als probleem, maar wel als een realiteit die actief begeleid moet worden. Het gedrag van operators, de mentaliteit in de organisatie en de openheid voor verandering bepalen volgens hem sterk mee of automatisering echt succesvol wordt.

Een operator wordt geen overbodige schakel, maar een procesbewaker

Een interessant punt in het gesprek is hoe de rol van de operator verandert. Volgens Bart Van Quickelberghe verschuift die van handmatig voeden en bijsturen naar het bewaken van het proces als geheel. De operator wordt daarmee eerder supervisor dan uitvoerder. Hij of zij staat niet meer elk onderdeel stuk voor stuk op de band te leggen, maar houdt de flow, beschikbaarheid en continuïteit van het proces in de gaten.

Dat is volgens hem niet alleen een andere taak, maar ook een hoger niveau van verantwoordelijkheid. En juist daarin ziet hij veel waarde voor de mensen die vandaag al op die lijnen werken.

Onderhoud moet vooral simpel en betaalbaar blijven

Ook op het gebied van onderhoud is bewust gekozen voor toegankelijkheid. Bart Van Quickelberghe legt uit dat Q-Fin met twee oplossingsrichtingen werkt: cobots voor kleinere en lichtere onderdelen, en cartesiaanse robots voor situaties waar hogere payloads, grotere snelheden of gevaarlijkere producten een rol spelen. Vooral die cartesiaanse X-Y-Z-systemen zijn volgens hem interessant omdat ze bijna onderhoudsarm zijn.

Daarmee voorkom je dat klanten voor elk klein onderhoud afhankelijk worden van een externe specialist. Een riem vervangen of een beetje smeren is iets heel anders dan complexe kalibratietrajecten of specialistisch servicewerk. En precies dat maakt de totale kost en complexiteit van zo’n systeem lager.

Zo rekent Q-Fin vooraf uit of een lijn rendabel is

Als het uiteindelijk om euro’s gaat, wil Bart Van Quickelberghe vooral duidelijk maken dat renderend automatiseren geen nattevingerwerk hoeft te zijn. Q-Fin vertrekt volgens hem vanuit productiegegevens van de klant: alle snijdelen die die klant op jaarbasis produceert worden geanalyseerd. Daaruit worden gemiddelde afmetingen, snelheden en bezettingsgraden afgeleid. Die parameters worden vervolgens naast de huidige situatie gelegd: hoeveel mensen, hoeveel shifts, hoeveel materiaal, hoeveel output.

Op basis daarvan ontstaat een realistisch beeld van de investering, draaiuren, bezetting en terugverdientijd. Volgens Bart Van Quickelberghe komt daar nagenoeg altijd een geloofwaardige ROI uit, mits de bottleneck en de werkelijke situatie eerlijk in kaart worden gebracht.

Cobot of niet? Dat hangt vooral van drie dingen af

Niko Saris vraagt ook expliciet wanneer een cobot dan wel of niet logisch is. Volgens Bart Van Quickelberghe hangt dat vooral af van footprint, productgrootte en payload. Cobots passen goed bij compacte opstellingen, kleinere onderdelen en relatief lichte producten. Maar zodra de snelheden omhoog gaan, producten gevaarlijker worden of meerdere palletposities en grotere footprints nodig zijn, verschuift de logica richting cartesiaanse robots.

Daarmee maakt hij duidelijk dat de keuze voor een cobot geen trendkeuze moet zijn, maar een rationele proceskeuze.

De realistische verwachting: geen droomverhaal, wel rust en veel winst

Op het einde van het gesprek vat Bart Van Quickelberghe mooi samen wat een realistische verwachting van robotica in handling is. Niet 100 procent perfecte automatisering van alles, maar wel rust in de organisatie, een zeer hoog automatisch percentage van de productmassa en duidelijke winst in kwaliteit, output en personeelsinzet. Volgens hem ligt dat automatische aandeel “eind in de negentig procent”, maar niet op honderd. En precies daar wil Q-Fin eerlijk over zijn.

Die eerlijkheid hoort volgens hem ook bij succes. Geen droom verkopen, maar een systeem dat doet wat vooraf realistisch is afgesproken.

Conclusie

Het gesprek tussen Niko Saris en Bart Van Quickelberghe maakt één ding duidelijk: robotica in handling is geen futuristisch experiment meer, maar een serieus antwoord op heel concrete problemen in de maakindustrie. Personeelstekort, kwaliteitsdruk, groeiblokkades en repeterend werk dwingen bedrijven om anders naar hun proces te kijken. Volgens Bart Van Quickelberghe zit de winst daarbij niet in losse robotarmen, maar in geïntegreerde, gestandaardiseerde en modulair uitbreidbare systemen die echt aansluiten op de praktijk.

En misschien is dat wel de belangrijkste les uit dit gesprek: bedrijven hoeven niet bang te zijn dat ze morgen een onbetaalbare, onbegrijpelijke technologie in huis halen. Maar ze moeten wel eerlijk durven kijken naar waar het vandaag wringt. Want daar begint de echte businesscase van robotica.


FAQ

Wie is Bart Van Quickelberghe?

Bart Van Quickelberghe is in deze aflevering de specialist die toelicht hoe Q-Fin naar robotica en handling kijkt binnen finishingprocessen.

Wie interviewt hem in deze aflevering?

De aflevering wordt gevoerd door Niko Saris.

Waarom kiezen bedrijven voor robotica in handling?

Vooral vanwege personeelstekort, repetitief werk, kwaliteitsverbetering en de wens om onafhankelijker en efficiënter te produceren.

Waarom mislukken robotprojecten soms?

Volgens Bart Van Quickelberghe vaak omdat robotica te los wordt bekeken van het totale finishingproces. Zonder integratie van handling en finishing loopt het sneller mis.

Wat is een realistische verwachting van robotica?

Niet 100 procent van alle producten automatisch verwerken, maar wel een zeer hoog percentage, meer rust in het proces en duidelijke winst in capaciteit, kwaliteit en efficiëntie.

Terug naar home